Lakenindustrie

Al vanaf de late middeleeuwen was Holland vooraanstaand in Europa als het gaat om de textielnijverheid. Laken werd geproduceerd door geweven wollen stof te ‘vollen’, een procédé om de stof zacht te maken, en ook wind- en waterdicht. De geweven stof werd hierbij in een kuip met loogmiddel – met urine als belangrijk ingrediënt – gestopt en langdurig gestampt, oorspronkelijk met blote voeten, later met windmolens.

Aelbert Cuyp: Gezicht op de Rietdijkse Poort, ca 1650 (part. bezit)

Er zijn maar weinig schilderijen of prenten gemaakt van de volmolens. Het was een onaangenaam plekje voor de kunstenaar om in de stank van een volmolen te gaan schetsen. Een uitzondering was molen ‘de Beer’ (12363) die stond buiten de Rietdijkspoort van Dordrecht, op het havenhoofd van de Rietdijkshaven. Daar stond hij benedenwinds van de stad en aan een groot water, dus het was er uit te houden, voor Aelbert Cuyp bij voorbeeld. Deze Dordse schilder, tegenwoordig beter bekend als naamgever van een markt in Amsterdam, heeft de molen verschillende keren geschilderd. Opvallend is dat de molen op sommige schilderijen als grondzeiler wordt afgebeeld, op andere met een lage omloop eromheen. Wellicht zijn er tijdens het bestaan van molen, tussen ca 1600 en 1650 aanpassingen aan het bouwsel gepleegd.

Aelbert Cuyp: Haven van Dordrecht bij maanlicht, 1644 (Walraf Richardz Museum, Keulen)

Omstreeks 1650 vond men klaarblijkelijk de stank toch te gortig worden, want rond die tijd werd de molen een stuk verder van de stad af verplaatst.

Overigens was niet Dordrecht maar Leiden van oudsher het centrum van Hollandse laken industrie. In Leiden werkten dus ook veel ouderwetse ‘voetvollers’ die het stampen met blote voet deden. Ze hadden zelfs een eigen gilde en konden daardoor de innovatie naar windvollen lang tegenhouden. Hun broodwinning was immers in gevaar. De eerste volmolens in Nederland stonden dan ook niet in Leiden, maar in kleine plaatsen als  Groningen (in 1578), Alkmaar (in 1592), Edam (in 1612). Pas toen Leiden de adem van de concurrentie in de nek ging voelen besloot het stadsbestuur in 1619 ook tot een vergunning. Maar toen ging het ook hard. 30 jaar later stonden er 25 rond Leiden (van de 63 totaal in heel Holland). Op een kaart van Leiden van Pieter Dou uit 1647 zijn ze vrijwel allemaal terug te vinden. Een detail van deze kaart toont de concentratie van volmolens langs het riviertje de Mare aan de noordkant van de stad.

Pieter Dou: kaart van Rijnland (detail, met rechtsonder de stadssingel tussen Rijnsburger- en Marepoort)

Iets later maakte Joris Gerstecoren een kaart van Leiden en verluchtigde die met illustraties. Landkaarten werden namelijk niet alleen gezien als nuttige instrumenten maar ook als decoratieve kunstwerken. Op de kaart van Gerstecoren staat onder andere een mooie afbeelding van de ‘Volmolen van Jan te Plaa ofte Jan Hennebo’ (8837)

Joris Gerstecoren: kaart van Leiden (detail), 1653 (Topografisch Historische Atlas)

En als er dan toch een schilderij van volmolens gemaakt werd, dan het liefst van grotere afstand. Bernard Thier maakte onderstaand werk vanaf de Koepoort.

Bernhard Thier (1735-1811) Gezicht bij Leiden buiten de Koepoort

Bij het huis op de voorgrond zien we een pad weglopen: de huidige Schelpenkade. In het verlengde ervan een molen in de verte: het Fortuin (2584). Het pad zelf buigt naar links, langs de Trekvliet. Daar staat eerst een anonieme volmolen (2577), dan de Volmolen van Dozy (2576) en in de verte nog een derde, dat moet dan de Haan (2573) zijn.

Ook in het zuiden van het land bloeide de lakenindustrie, maar de mechanisering van het vollen gebeurde hier meer met molens die door waterkracht werden aangedreven. Tilburg houdt het oude vollersambacht in ere met de naamgeving van haar carnavalsvierders. De vollers werden indertijd geacht hun eigen loogvloeistof mee naar het werk te nemen, thuis opgevangen in een kruik: zij waren de Kruikenzeikers.